Schrijver Tommy Wieringa over Elspeth Diederix

 

Op 18 maart 2001 maakte ik ruzie om een foto van Elspeth Diederix.
Met mijn geliefde bezocht ik een groepstentoonstelling in Arti, waar werk van Elspeth hing.
Op mijn volgende roman, pochte ik, zou een foto van Elspeth prijken.
Op mijn aanstaande bundel ook, zei mijn geliefde.
Dat kan niet, zei ik.
Dat kan wel, zei zij.
Ik ken Elspeth langer dan jij, zei ik.
Ik heb al toestemming, zei zij.
Ik ook, zei ik.
Zo kreeg het stilaan het karakter van een mimetisch territoriaal conflict, dat ermee eindigde dat mijn vriendin Arti ziedend van woede verliet en niet veel later debuteerde met een poëziebundel waarin ze nogal onvriendelijk met mij en onze liefde afrekende.
Maar de foto van Elspeth voorop was wel weer prachtig, dat wel.

Jaren later bezocht ik opnieuw een expositie van Elspeth. Ze was nu in de bloemen. Bij een met bloemen overwoekerde plastic kuipstoel vroeg ik me af of bloemen niet een beetje, nou ja, een beetje tuttig waren. Ik kwam voor roze geverfde motoren in de woestijn en wolken van plastic boven de oceaan, maar ik kreeg een bos gladiolen; de kunstenaar was duidelijk een andere kant opgegaan.
Iets in mij verzette zich. Ik kreeg niet wat ik verwachtte. Het stoere werk van voorheen had plaatsgemaakt voor iets… iets priegeligs leek wel, waar ik het niet zomaar mee eens was.
Ik gedroeg me kortom als een conservatieve consument, die wrokkig keek naar een experiment.
Elspeth had overduidelijk niet aan de consument gedacht toen ze bloemen ging fotograferen – hij kwam voor meer van hetzelfde, en daar stond hij nu, tussen de paardenbloemen en de scabiosa.

Godzijdank heeft de consument het niet altijd voor het zeggen.

Ik ben mettertijd erg gaan houden van haar digitale dagboek The Studio Garden, omdat je uiteindelijk van de hele kunstenaar houdt, en niet alleen van hapjes en brokjes.
Sinds Linnaeus heeft niemand meer zo intensief naar planten en bloemen gekeken. Of beter misschien: sinds de Gouden Eeuw, die zoals u weet ook de eeuw van de bloem was, van een tulpenmanie zelfs, maar ook van bloemstillevens die een genre op zich werden.
Elspeth heeft, denk ik soms, haar blik van buiten naar binnen gericht. Van de grote naar de kleine wereld. Alsof ze haar telescoop heeft verruild voor een microscoop.

Maar wie weleens door een microscoop gekeken heeft, weet dat de wonderen van micropia niet onderdoen voor die van de kosmos.
Eens schreef ik deze woorden van Konstantin Paustovski op de deurpost van mijn werkkamer: ‘Kijk! Kijk goed! Zodat je weet de dingen bij hun juiste naam te noemen. Alles heeft een eigen naam: de mensen, de bloemen, het licht, de dieren. Ze dragen allemaal hun eigen paspoort.’
Maar wij, gewone stervelingen, kijken helemaal niet goed; op het blinde af zijn we. We hebben iemand als Elspeth Diederix nodig om voor ons te kijken – om de dingen te zien voor wat ze zijn. Things as they are, heet niet voor niets een fotoboek van haar uit 2012.
Door haar ogen zien we de schokkende pronkzucht van de tulp, het tere blauw van de cichorei, de verborgen dieptes in het karakter van de Oost-Indische kers en, waar ik zelf erg van hou, de geile lathyrus, verrukkelijke snol onder de bloemen, altijd net over de datum, heel sexy.
Al die achteloze schoonheid, al die willekeurige, oneindige variaties…
En de gemanipuleerde bloemen, de bloemen waaraan Elspeth iets heeft toegevoegd of veranderd – dat is natuurlijk geen manipulatie, dat is hoe de bloem eigenlijk had moeten zijn, maar door een fout in de evolutie verzuimde te worden.
Elspeth verbetert zo stilletjes de schepping.

Zoals ik haar in de bloemen ben gevolgd, zal ik haar ook onder water volgen – de even onverwachte als logische volgende stap in haar kunstzinnige evolutie. Zo bezien beschrijft deze expositie ook haar levensreis als kunstenaar – hoe ze steeds dieper gaat, niet alleen in de textuur en de vorm van dingen zoals ze zijn, maar ook letterlijk, naar de bodem van de zee.
Door haar liefdewerk zien we de wereld voor wat ze is en gaan er van de weeromstuit meer van houden. Niet alleen omdat we er misschien een beetje meer begrip voor hebben gekregen, maar ook omdat haar werk tegelijkertijd de geheimzinnigheid ervan heeft vergroot, indachtig de woorden van A. den Dolaard: ‘We hebben tussen wonderen geleefd maar we hebben het niet begrepen’.
Dit is de Diederix-paradox: hoe meer we zien, hoe geheimzinniger het wordt.

Kafka heeft geschreven dat een roman een bijl moet zijn voor de bevroren zee in ons – Elspeth is meer van de zachte krachten, niet met een bijl, maar met haar warme adem op een bevroren ruit vol ijsbloemen opent ze een uitzicht voor ons, waardoor we in haar betoverde tuin mogen kijken.
Net als in sprookjes en mythen worden er in die tovertuin diepe lagen in onderbewuste aangelicht, de schittering van een goudader in het lamplicht van een mijnwerker.

Ik word te lyrisch, ik moet ophouden, maar niet zonder je te zeggen, lieve Elspeth, dat we je bewonderen, diep, hartstochtelijk bewonderen, en je overal zullen volgen waar je gaat.

– Schiedam, 23 juni 2018, bij de presentatie van ‘De tuinen van Elspeth Diederix’