Raoul de Jong*

*Rothko trekt aan onze snaren.

Deze uitnodiging (om de tentoonstelling te openen, red.) voelde om heel veel redenen als een cadeautje. Ik ben opgegroeid in Schiedam. Het was fijn om een excuus te hebben om hier na zoveel jaar weer een aantal keer te komen. En het was interessant om me te verdiepen in het werk van Rothko, een kunstenaar die met verf deed wat ik probeer te doen met woorden; mensen raken.

Afgelopen week had ik dus de eer om als eerste een paar uur alleen met een van zijn schilderijen door te brengen. Ik was vooral bang dat ik daar niéts bij zou voelen. Niet alleen omdat ik tijdens deze opening een praatje  zou houden.

Oók omdat ik dingen over Rothko had gelezen, dus ik wist dat het niet ongewoon is dat mensen om zijn schilderijen huilen. Ik heb nog nooit gehuild om een schilderij, bovendien: dit schilderij heeft de afgelopen jaren ook in Boijmans gehangen, dus ik moet het minstens een keer zijn gepasseerd en ik kan me dat niet eens herinneren.

Woensdag was het zover. De dag na mijn 35e verjaardag, met kleine kater. Ik liet mijn telefoon achter in een kluisje en kreeg een koptelefoon. Er was een teampje mensen dat me uitzwaaide. ‘Geniet!’ ‘Succes!’ Plezier!’ Zeiden ze vol verwachting.

Ik opende de deur, zag het schilderij en dacht…dit lijkt precies op de vochtplekken in mijn badkamer. En onmiddellijk daarna: o jee, is dit echt alles wat erin zit? Is dit dan alles wat ik ga denken vandaag? Ben ik een monster?

Maar toen ging ik zitten en dacht aan alles wat ik over Rothko had gelezen. Hoeveel denkwerk hij in zijn schilderijen had gestoken en in dit schilderij kon ik dat zien. Maar toen verdween de maker, en zag ik dat het schilderij zelf een wezen was. ‘Hallo,’ zei het. ‘Kom!’ En daarna speelde het hard-to-get.

De donkere plekken om het oranje die eerder vochtvlekken hadden geleden, die bewogen nu. Het oranje was als licht, dat uit een andere dimensie naar mij scheen, dat me probeerde te bereiken.

Ik dacht aan een vrouw die ik ooit interviewde, die me tussen neus en lippen door vertelde over wat ze had gezien tijdens een bijna-dood-ervaring: een engelenkoor, in prachtige jurken, dat prachtige muziek maakte, muziek die leek op de opera’s van Puccini.

Dat oranje was als die muziek, een glimp van een werkelijkheid die altijd achter onze werkelijkheid ligt, maar die we zelden zien. Een werkelijkheid die deze werkelijkheid leuker zou maken, als we wisten dat die bestond.

Maar daarboven hing het donkergrijs. Het grijs was groter dan het oranje. Het oranje reikte uit, het donkere trok terug en daardoor trok het aan. Ik ben er ook, zei het. Ik ben niet leuk en ik ga niet weg. Ik ben er of je het nou wilt of niet. Het deed me dingen voelen die ik niet wilde voelen.

Als ik me er op concentreerde, drukte het op mijn hart en was het alsof ik weg wilde lopen.
Ik weet niet of het letterlijk kwam door het schilderij of doordat het schilderij een excuus was om stil te staan, mijn lichaam te voelen en mezelf te vragen: hoe gaat het met je? Hoe gaat het echt?

Heel even was het alsof ik met een beetje extra effort zou kunnen huilen. Maar toen dacht ik aan hoe fantastisch het zou zijn voor dit praatje en toen was het weg. Ik stond op en keek naar het donkergrijs van dichterbij en toen was het niet verdrietig meer.

Het was zoals de donkere wolken die ik op een ochtend tijdens mijn voettocht naar Marseille boven mijn tent had ontdekt toen ik wakker werd: niet goed of slecht, maar gewoon: een reden om eindelijk mijn regenponcho aan te trekken. Een mogelijkheid voor een nieuw avontuur. En daarom een cadeautje.

Uiteindelijk heb ik bijna drie uur met het schilderij doorgebracht. De truc om dit schilderij te laten leven, bleek ongeveer dezelfde als de belangrijkste truc die ik mensen leer als ik schrijfles geef: vertrouwen.

Niet op Rothko. Maar op jezelf. Op je eigen menselijkheid. Vertrouwen op het feit dat jij, als mens, net als elk mens, een doorgeefluik kunt zijn van iets wat veel groter is dan jijzelf. Deze rare, gekke, grappige, nare, droevige, verdrietige, onbegrijpbare, wonderlijke creatie genaamd het leven. Jij bent daar een onderdeel van. Je voelt het als je het aandurft om niet te luisteren naar je ratio, je schuldgevoel, je vooroordelen, je cynisme en je angst.

Wat je daarvoor terug krijgt is precies dat wat het leven de moeite waard maakt: verwondering en verbazing. Poezie. Het leven is vol mogelijkheden om poezie te ervaren, blijkt als je daar de tijd voor neemt.  Hier is er een mogelijkheid.

Als we hem dat laten doen, trekt Rothko via zijn schilderij, aan onze snaren. Welke tonen eruit komen is niet belangrijk, het gaat erom dat je vibreert.

Drie uur hebben we dus samen doorgebracht, Rothko & ik. Daarna heb ik een wandeling gemaakt door Schiedam. Ik keek naar de gebouwen, naar de mensen, naar de lucht. En voor ik weer naar binnen ging heb ik kleurpotloden gekocht. En in rood en blauw en geel en lichtgevend oranje sprak ik die avond tegen het leven terug.

Uitgesproken op zaterdag 16 maart 2019.