Meesterlijke vrouwen – biografieën

Lotti van der Gaag (1923-1999)

De sculpturen van Lotti van der Gaag (1923 – 1999) bestaan uit fantasiewezens en oerfiguren. Kenmerkend is haar spontane boetseertechniek.

Boetseren

Lotti van der Gaag, Kop, 1951. Collectie: Stedelijk Museum Schiedam. ©Pictoright Amsterdam 2019

‘Bijna alle mannen vinden het aardig als hun vrouw een beetje tekent, schildert, boetseert maar het moet bij een lieve hobby blijven.’
Lotti van der Gaag (Den Haag, 1923 – Nieuwegein, 1999) volgt van 1948 tot 1949 lessen aan de Vrije Academie in Den Haag. Gestimuleerd door haar leermeester Livinus van de Bundt legt ze zich toe op het boetseren met klei en gips. Als ze in het Stedelijk Museum Amsterdam werk ziet van de beeldhouwer Ossip Zadkine, vertrekt ze in haar eentje naar Parijs om bij hem in de leer te gaan. In Parijs vindt ze een atelierruimte bij CoBRA-kunstenaars Karel Appel en Corneille.

Fantasiewezens

In haar sculpturen zijn allerlei fantasiewezens en oerfiguren te herkennen. Zo zijn bosgoden, maanmannen en woudlopers veel voorkomende onderwerpen. Kenmerkend voor Van der Gaags oeuvre is haar spontane boetseertechniek. Ze werkt niet volgens een vast ontwerp, maar maakt een maquette waar ze vrijelijk omheen boetseert.

Informele kunst

Naast haar baanbrekende sculpturen heeft Van der Gaag ook zo’n driehonderd schilderijen gemaakt. Van der Gaag vindt aansluiting bij de informele kunst, een kunststroming die na de Tweede Wereldoorlog tot ontwikkeling komt en waarin het materiaal en de spontane expressie van groot belang zijn.