Het sombere gevoel bij migratie: Turkse gastarbeiders in Schiedam*

*Blog 3 van de serie Turks brood met hagelslag.

Als geboren en getogen Schiedammer probeer ik me voor te stellen wat migratie heeft gedaan met mijn ouders die als Turkse gastarbeiders naar Nederland zijn verhuisd. Echt dichtbij zal ik nooit komen maar ik heb twee jaar in Tilburg gestudeerd en ik vond Brabant al lastig wennen.

Ik miste mijn vrienden in Schiedam en sprak met de directheid van een Schiedammer waardoor ik al snel opviel. Maar na die twee jaartjes keerde ik weer terug, omdat ik besloot om geschiedenis te studeren aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. Opeens miste ik Brabant enorm! Dan reed ik in de tram over de Erasmusbrug en zat ik te dagdromen over de Tilburgse koningsnacht met Brabant van Guus Meeuwis in m’n oor. Ik kan me niet voorstellen hoe het moet zijn geweest voor de gastarbeiders om aan te komen in een land waar de taal en cultuur onbekend waren. In Brabant moest ik op een ongemakkelijke wijze erachter komen dat je niet zomaar een pan bami uit het raam kan pleuren. Mijn ouders hebben ongetwijfeld soortgelijke voorbeelden van een cultuurclash moeten meemaken.

In 1977 besloot mijn 15-jarige vader om huis en haard in zijn Turkse geboortedorpje Kilbasan te verlaten om als gastarbeider een nieuw leven op te bouwen in Schiedam. Hij trok in bij het gezin van zijn broer en begon te werken als sjouwer bij een steigerbouwbedrijf. Twee jaar later ontmoette hij mijn moeder die ook vanuit Turkije was geëmigreerd naar Nederland. Ze trouwden en begonnen hun eigen gezinnetje in de Schiedamse Mariastraat waar veel Turkse gastarbeiders in Schiedam gehuisvest waren.

Muzaffer Işık, vader van Süeda, 1977.


‘Wat hebben we toch veel geleden.’
In 2003 zette het Gemeentearchief van Schiedam met de afdeling Cultuur een project op om de geschiedenis van Turks-Schiedamse gastarbeiders die tijdens de eerste jaren van de arbeidsmigratie hier naartoe kwamen in kaart te brengen. Vijf gastarbeiders van het eerste uur werden geïnterviewd en hun verhalen werden door Sevgi Gülen gebundeld in een boekje genaamd 40 yil – jaar in Schiedam – van Turkse gastarbeider tot stadsgenoot. Toen ik dit boekje aan mijn vader liet zien, wees hij naar de foto van een man van 65 jaar met een snor en riep: ‘Hé! Dat is Urfali amca.’ (Oom uit Urfa, de Turkse stad waar de man vandaan kwam). ‘Jij kent hem ook. Hij maakte altijd eten voor de lokale moskee.’ Schiedam is klein en mensen met Turkse roots zoeken elkaar op in vriendenkringen en moskeeën. Mijn vader bleek daardoor alle afgebeelde personen te kennen. De geschiedenis van deze gastarbeiders verplaatste zich vanuit mijn abstracte onderzoeksfeer naar de man waarnaast ik zat op de bank. Mijn vader is deze geschiedenis.

Opeens begon mijn vader nostalgisch uit zijn ogen te kijken en de stukken verhalen uit het boek te lezen. Hij ging terug in de tijd, zuchtte en zei: ‘Wat hebben we toch veel geleden.’ De man die ik zelden emotioneel meemaakte droeg nu zijn lijden op zijn gezicht. Het sierde hem op een manier die ik niet had willen zien. Maar het was nodig. De pijn en het lijden die voortkwamen uit emigreren vanuit Turkije naar Nederland zijn onderdeel van de Turks-Nederlandse identiteit. Zonder dat ik het door heb draag ik dit hartverscheurend verleden op mijn schouders. Het is als een omhelzing van een warme jas met schoudervullingen van lood voor me. Dat heb ik gemerkt nu ik voor het eerst de pen in de hand heb genomen om erover te schrijven. Ik blijf pauzes nemen omdat ik anders door de tranen het papier niet meer zie. Deze verhalen moeten vastgelegd worden voordat ze verdwijnen.

Turks paspoort van Muzaffer Işık, vader van Süeda, met stempel van de gemeentepolitie Schiedam, 1977.


Eierkoeken en patat
Ik realiseerde me dat ik nooit eerder een gesprek heb gehad met mijn vader over hoe hij in Nederland terecht is gekomen en hoe zijn eerste jaren hier eruitzagen. Hij vertelde dat zijn leven als boer in Kilbasan erg lastig was. ‘Het ene jaar liet god het regenen en had je een goede oogst en het andere was het droog en had je nauwelijks iets te eten.’ Als 23-jarige geboren en getogen Schiedammer ben ik opgegroeid met eierkoeken en patat. Ik heb nooit armoede of honger gekend. Wat mijn vader zei klonk daarom erg dystopisch. Hij vertelde dat hij in droge graanvelden op zoek ging naar de kleine beetjes waarvan hij nog meel zou kunnen maken. Wanneer ik aan hem vroeg wat hij leuk vond aan Nederland toen hij hier net was aangekomen, noemde hij dan ook meteen het witbrood op.

Ik ben de jongste in een gezin van vier kinderen. Mijn broer, geboren in 1980, is het eerste kind thuis. Mijn vader had zelf de middelbare school niet afgemaakt in Turkije maar zag erop toe dat mijn broer ging studeren. Ik heb dit altijd bijzonder gevonden, omdat mijn vader nooit eerder iemand in zijn familie heeft gehad die naar het hoger onderwijs is gegaan; daarom vroeg ik waarom hij ervoor gekozen heeft om mijn broer – en later ook mijn twee oudere zussen en mij – te motiveren door te leren. Mijn vader is een man van weinig woorden. Hij bleef stil voor een paar seconden en nam een schrijnende houding aan. ‘Ik heb hele zware dingen moeten tillen tijdens het werken. Ik wilde niet dat mijn kind dat ook deed.’ Ik had er niks op in te brengen. Ik was niet voorbereid op dit eerlijke antwoord. Het liet een bitterzoete nasmaak achter in het moment. Dit was een vet schattig antwoord van mijn vader maar tegelijkertijd brak het mijn hart. Mijn vader die nooit klaagde over zijn werk had nu toegegeven dat het best zwaar was.


De Schiedamse gastarbeiders
In september 1963 werden de eerste Turkse gastarbeiders in dienst genomen bij de Vereenigde Glasfabrieken in Schiedam. In de jaren zestig was een ernstig tekort aan arbeiders in de omgeving van Rotterdam. Vooral in de glasfabrieken waren te weinig handen om het werk op te pakken, waardoor bedrijven gastarbeiders uit Turkije begonnen te werven. De glasfabrieken waren tevreden met het werk van deze gastarbeiders en besloten in de loop van 1964 en 1965 om meer Turken naar Nederland te halen. In 1965 begonnen ook Turkse gastarbeiders te werken bij de scheepswerf Wilton-Fijenoord; mijn vader zou in 1977 hier aan de slag gaan als steigerbouwsjouwer.

De eerste gastarbeiders in de jaren 60 werden gehuisvest in pensions en woonboten waar geen student in zou willen wonen vandaag de dag. In pensions sliepen de mannen soms met 12 tot 18 man en op de woonboot stroomde het altijd over en werden ze wakker met pijnlijke botten door de kou en vochtigheid. Ik kan me voorstellen dat zulke omstandigheden de geest van een gastarbeider ongetwijfeld beknelden. Mijn vader had het iets beter omdat hij in 1977 meteen in een klein huisje terecht kon. Ook de huizen die werden verhuurd aan gastarbeidersfamilies waren niet te doen. Mijn pasgetrouwde ouders huurden in 1980 een huis aan de Mariastraat waarin ze dagelijks verwelkomd werden door slakken. Het huis was daarnaast niet warm te krijgen. Mijn moeders reumaklachten verergerden zo erg in dat huis dat ze drie maanden opgenomen werd in het ziekenhuis en niet kon zorgen voor mijn pasgeboren broer. Wanneer de bovenburen douchten, droop het water bij mijn ouders in de woonkamer. Klagen deden ze niet want ze wisten niet beter. Ze waren al heel blij dat zij een überhaupt een douche hadden, wat zeer ongebruikelijk was in de meeste huizen van gastarbeiders in Schiedam.

Mijn hart breekt als ik denk aan de eenzaamheid die vele gastarbeiders hebben moeten gevoeld. De man die mijn vader herkende in het boekje dat ik hem liet zien, Urfali amca, viel tijdens het werken in de glasfabriek van een machine af waardoor zijn vers gezette hechtingen na een blindedarmoperatie opensprongen. Hij belandde in het ziekenhuis. Zijn vrouw was ver weg in Turkije. Zijn moeder was ook niet bij hem. Geen familie en geen vrienden die voor hem konden zorgen of zijn hand konden vastpakken in zijn moeilijke tijden. Ik zou zo’n situatie geen mens toewensen en toch waren er genoeg gastarbeiders die zich door deze eenzaamheid heen moesten zetten om voor hun families te zorgen.

De eerste gastarbeiders kwamen naar Nederland om geld op te sparen en uiteindelijk terug te keren naar Turkije. In de loop van de jaren 60 besloten toch veel gastarbeiders om te blijven. Gezinsherenigingen vonden plaats en de Turkse mensen wortelden zich in Nederland. Ik hoor weleens mensen zeggen dat ze hadden moeten ‘terugkeren naar hun eigen land’ maar zo simpel is dat niet. Wij mensen zijn sociale wezens en we raken verbonden met onze omgeving. Mijn vader ging elk weekend zwemmen in Zwembad Zuid en mijn moeder raakte bevriend met een heleboel Turkse vrouwen in de wijk. Voor ze het wisten hadden ze een eigen bestaan opgebouwd in Schiedam en had het geen zin meer om terug te keren naar Turkije. Dan moesten ze daar weer een nieuwe baan, huis en sociale kring vinden.

Nu wonen mijn ouders al meer dan 40 jaar hier en willen ze de stad nooit meer verlaten. De Nederlandse gewoontes en gebruiken zijn onderdeel van hun leven geworden. Ze wonen natuurlijk al langer in Schiedam dan dat ze ooit in Turkije hebben gewoond. Als iemand ze vraagt waar ze vandaan komen, noemen ze dan ook eerst Schiedam op en daarna Turkije. Maar de Turkse cultuur zullen ze nooit vergeten want die blijft altijd in hun hart. Mijn ouders hebben de Turkse cultuur doorgegeven aan hun kinderen en ik ben zeker van plan om die weer door te geven aan mijn kinderen in de toekomst. Ik wil niet vergeten waar mijn ouders vandaan zijn gekomen.

Volgende week in blog 4 – Turkse thee en kruimeltaart:
Volgende week bespreek ik hoe de Nederlandse en Turkse cultuur elkaar ontmoeten in de keuken. Hoe mengen mensen met Turkse roots in Nederland de twee keukens met elkaar en welke Turkse gerechten zijn onmisbaar geworden in Nederland?

Süeda Işık
Hi! Ik ben Süeda, een 23-jarige journalist en geschiedenisstudent aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. Ik ben een geboren en getogen Schiedammer met Turkse ouders die in de jaren 70 naar Nederland zijn geëmigreerd. Tijdens de Maand van de Geschiedenis onderzoek ik de uitwisseling tussen het voormalig Ottomaanse Rijk en Schiedam/Nederland.
Mijn stadsgenoot Cornelis Haga (1579-1654) was de eerste Nederlandse ambassadeur in het Ottomaanse Rijk. Ik ben één van de vele Schiedammers met Turkse roots. In een serie van vier blogposts verken ik wat er in al die eeuwen veranderde en hetzelfde bleef.
Volg Süeda ook via haar instagrampagina.

Süeda Işık, Zelfportret met Fistik, 2020