Jan Hoek. New Supermodels

holymanandtiger-40cmx

Jan Hoek, Holy Man and Tiger, 2016, fotoprint, 40 x 27 cm, collectie kunstenaar

Ze kunnen pijn doen aan je ogen, de portretfoto’s van Jan Hoek (Utrecht, 1984), want aan geijkte schoonheidsidealen gaat hij blind voorbij. Als professional omringt hij zich met amateurs die hij ontmoet op internet, op straat in Amsterdam of op zijn reizen door Europa, Afrika en Azië. Of het nu gaat om een alcoholisch liefdeskoppel uit Amsterdam, een groep schizofrene zwervers uit Ethiopië of sekswerkers in Thailand: Hoek gebruikt zijn camera als instrument om fantasieën mee waar te maken. Hij verleidt zijn modellen tot theatrale ontkleed- en verkleedpartijen. Zijn portretten zijn maskerades waar idealen in oplichten.

Ze kunnen pijn doen aan je ogen, de portretfoto’s van Jan Hoek (Utrecht, 1984), want aan geijkte schoonheidsidealen gaat hij blind voorbij. Als professional omringt hij zich met amateurs die hij ontmoet op internet, op straat in Amsterdam of op zijn reizen door Europa, Afrika en Azië. Modellen als ‘gevonden voorwerpen’, zou je bijna zeggen, of, in kunsttermen: objets trouvés, in de traditie van het dadaïsme uit het begin van de twintigste eeuw, toen Marchel Duchamp alledaagse voorwerpen zoals een flessenrek tentoonstelde of een porseleinen pispot omdraaide en die Fountain (1917) noemde. Evenals voor de dadaïsten, is voor Hoek de realiteit zelf het theaterstuk bij uitstek, goed voor een lach en een traan.
Soms zie je meteen dat zijn modellen wel wat minder geslepen zijn dan hijzelf en zijn lenzen; dat zij misschien hopen op aandacht, roem of geld en niet precies doorhebben wat ze prijsgeven voor de camera. Sowieso kleeft aan portretfotografen al een beetje de mythe dat zij het gezicht stelen van hun model. Toch is het mooie bij Hoek nu juist, dat hij niets afpakt, maar iets toevoegt: zijn camera is een instrument om fantasieën mee uit te leven. Of het nu gaat om een alcoholisch liefdeskoppel uit Amsterdam, een groep schizofrene zwervers uit Ethiopië of sekswerkers in Thailand: Hoek verleidt zijn modellen tot theatrale ontkleed- en verkleedpartijen. Zijn portretten zijn maskerades waar idealen in oplichten.
Het effect is ontwapenend, vooral wanneer Hoek zichzelf erbij betrekt. Onhandige momenten, misverstanden of bijgedachten beschrijft hij in de kantlijn en op fluorescerende post-its bij zijn foto’s. Samen met het beeld roepen die zinnetjes hele werelden op.
Vroeg voorbeeld van de methode Hoek is de serie Sweet Crazies (2011): portretten van geestelijk gestoorden die hij in Ethiopië op straat zag scharrelen in extravagante outfits, ‘alsof ze van een catwalk waren ontvoerd’. Hoek, gebiologeerd, zocht contact, allereerst met een man uit wiens neusgaten sigaretten staken en die door een pilotenbril de hemel bestudeerde. ‘Als in een reflex liep ik op hem af, als in een reflex gooide hij een steen richting mijn hoofd.’ Maar Hoek maakte vrienden en portretteerde zijn Sweet Crazies in een gehuurde fotostudio met Romeinse pilaren en gouden tronen – een kitschdecor dat geliefd is bij bruidspaartjes. Aan de zwervers in hun weidse en van vuil zware gewaden verleent het koninklijke allure.
In Hoeks handen wordt de camera een levensecht speelgoedwapen: slagvaardig, want hij breekt ermee door culturele barrières, vrijmoedig, want een extra schot kan geen kwaad en doet juist recht aan de veelzijdigheid van ieder individu, en natuurlijk, uit zijn aard ook een klein beetje verraderlijk. In Amsterdam fotografeerde hij junkie Kim, die droomde van een modellencarrière. Maar de foto’s die hij thuis van haar had gemaakt waren allesbehalve glamoureus. Het knaagde aan Hoek dat Kim, die intussen aan het afkicken was, vast iets anders had gehoopt. Alsnog nodigde hij haar uit voor een droomshoot in een studio, met make-up, mooie kleren en wisselende decors, zoals bovenop een motor: Kim met wapperend haar. En in 2015, toen Hoek de Charlotte Köhler Prijs won, trakteerde hij Kim en haar vriendje op een vakantie naar de Belgische kust. Souvenir van deze trip is een expliciete fotoreportage, waar de geur van seks, wiet en alcohol doorheen dampt.
Behalve met de relatie fotograaf-model, speelt Hoek met de macht van de camera, terwijl hij al doende stereotypen nuanceert. In Kenia vroeg hij Masai die in de stad wonen (waar zij evenals westerlingen gewoon op Nikes lopen), hoe zij op de foto wilden, anders dan als ‘krijger in de natuur’, een clichébeeld van exotisme uit de toeristenindustrie en tijdschriften als National Geographic. ’Ik geloof’, zegt Hoek, ’dat er altijd ethiek komt kijken bij fotografie. Het is bijna onmogelijk mensen te fotograferen zonder grenzen te overschrijden; er gebeuren altijd onverwachte, en misschien ook ongewenste dingen. Ik heb het vermoeden dat dit vaak weggestopt wordt in de fotografie, terwijl ik juist ook dat wil laten zien.’
Op de solotentoonstelling Jan Hoek, New Supermodels hangen diverse fotoseries die hij de afgelopen vijf jaar maakte, vaak tot ruimtelijke installaties uitgewerkt, waarin beeld en tekst samengaan. Tussen oogstrelende foto’s kunnen ook wanstaltiger exemplaren hangen; tussen goede ook minder geslaagde opnames. Want bij Hoek ketst de camera nooit af op blinkende imago’s; hij zoomt in op het rollenspel zelf en de rafelranden daarvan. Dat is wat hem zo sterk maakt. Hoek doet zijn naam eer aan. Hij zet een spotlicht op hoeken en uithoekjes van onze samenleving en onze eigen grillige geest.
Ook daarin is hij verwant aan de Dadaïsten, die honderd jaar geleden, tussen 1916 en 1920, persiflage mixten met kinderlijke ernst. Dada is het Franse woord voor speelgoedpaard. De dadaïsten voerden een stokpaardjesgevecht: verbijsterd over de Eerste Wereldoorlog die kort tevoren was losgebrand. Wat was dat voor beschaving, waarin zoiets bestond? Niet dat Dada serieus dacht dat kunst bij machte was het tij te keren: in hun naam weerklinkt niet voor niets het gebrabbel van baby’s. Dada!
Toch ijlt de invloed van Dada nog altijd na. Levend bewijs is Jan Hoek, die ‘dada’ kan laten dansen op de vingers van zijn linkerhand. Hij draagt een tatoeage van vier letters, op elke vinger één: een ode aan de kunst. En in een recente foto voert hij, als in een variant op het stokpaard, een speelgoedtijger op. Het dier ligt aan de voeten van een heilige man uit Ethiopië. Achter hun rug licht een regenboog op. In gezegende onbevangenheid kijken de heilige en de tijger naar ons terug, met klare blik, picture perfect, volmaakt in harmonie.
Het is een vrolijk en mysterieus portret, precies wat we nodig hebben, nu honderd jaar na Dada de behoefte aan tegengif op het geweld in de wereld nog geen spat verminderd is en hoop, goedheid en wijsheid even dringend gewenst zijn als een geest die speels durft te zijn. Toch vat dit stralende portret meteen ook het dilemma samen dat Hoeks werk zijn angel geeft. Een heilige met een pluche tijger, hoe waardig is dat? Wordt de macht van de camera hier niet misbruikt? Dit zijn ethische vragen, die raken aan de relatie tussen de fotograaf en zijn model. Hoek werpt deze vragen zelf als eerste op, maar dat neemt niet weg dat ze zijn critici, kijkers en collega’s enorm in verwarring kunnen brengen.
Prettig is dat Hoek al die verwarring omhelst. Bij het heiligenportret valt te lezen: ‘In de studio betwijfelden ze ernstig of het wel respectvol was om een heilige met een neptijger te portretteren, ook al zagen ze zelf dat hij het dier stevig knuffelde. Daarom besloot ik de tijger een beetje echter te maken.’ Zo vullen woord en beeld elkaar aan, met een bevrijdend effect. Het getuigt bovendien van humor dat de moraalridders nog vromer zijn dan de heilige man zelf – het doet er kennelijk niet meer toe wat hij, als hoofdpersoon, ervan vindt. En tenslotte ga je door die korte zinnetjes ook beter kijken: vast niet iedereen had bij een eerste oogopslag meteen gezien dat de neptijger, met dank aan fotoshop, de kop heeft gekregen van een echt roofdier en met zijn echte roofdierenogen naar ons terugkijkt.

Wilma Sütö